De mens is van nature lui en gemakzuchtig, zo leert de geschiedenis. De eerste tijd na de schepping ging alles nog prima. In het paradijs waren de condities voor luie levensgenieters uitstekend. Maar met het beruchte verboden appeltje gooide Eva roet in het luilekkerlandse eten en kwam er een eind aan het feest van dolce far niente, het zalige niets doen. Voortaan moest er hard worden gewerkt (in het zweet des aanschijns nog wel) om in het levensonderhoud te voorzien. De zondeval had echter ook een lichtpuntje.

De Boom der Kennis

Zoals u zich zult herinneren was het appeltje afkomstig van de Boom der Kennis. Welnu, door van die kennis gebruik te maken (wat strikt genomen natuurlijk wel verboden was, maar wie daarop let is een kniesoor en kwestie is trouwens al lang verjaard) heeft de luie mens toch zijn leven geleidelijk aan weer wat aangenamer en makkelijker ingericht. Dat deed hij door het uitvinden van gereedschap. Met behulp van gereedschap kon hij alles aan, wat hij niet met zijn blote handen afkon. Eén van de allereerste en tot op vandaag belangrijkste werktuigen die de mens uitvond was het mes.

18e eeuws persoonlijk mes in een schede

Persoonlijk mes met een zilveren heft gemaakt in Middelburg wat werd gedragen in de bijbehorende schede. Collectie Zilver.nl

Het mes

Bij het jagen, doden, slachten en tot voedsel verwerken van de jachtbuit was een mes een must. Ook aan de vervaardiging van schoeisel en kleding kwam het nodige snijwerk te pas. Het aantal nuttige toepassingen van het mes bleek vrijwel onuitputtelijk. Ook, en nu nader ik mijn onderwerp, aten we ermee. Die brokken werden dan met de vingers in de mond gestopt. Het voordeel van die wijze van opereren was, dat het proces verliep zonder noemenswaard morsen in snor, baard of kleding. Je kreeg er natuurlijk wel vuile handen van. Later, veel later pas, om precies te zijn nog maar een paar honderd jaar geleden, gingen we daarom aanvullende eetgereedschappen, lepels en vorken gebruiken. Of “we”, dat is eigenlijk wat te boud gezegd. Slechts een vijfde van de wereldbevolking eet namelijk met mes, lepel en vork, 35% eet met stokjes en de rest, ruwweg de helft van alle eters dus, eet met de vingers.

De eetgewoontes in de 17e eeuw

Begin zeventiende eeuw werd hier te lande nog algemeen, zelfs door de deftigste burger, met een mes en verder blote handen gegeten. Als de aard of samenstelling van het voedsel dat noodzakelijk maakte, bijvoorbeeld bij pap of soep, werd een drinknap of lepel gebruikt. Die lepel, vaak van hout of tin, maar soms ook van het hardere en mooiere, maar ook veel kostbaardere zilver, placht men als goed opgevoede burger samen met het mes als persoonlijk eetgerei bij zich te dragen. Meestal hingen lepel en mes aan de gordel, maar er zijn ook beroemde middeleeuwse schilderijen waarop feestgangers staan afgebeeld met de lepel in de rand van hun hoed. Het werd wat later ook heel gewoon om zijn eigen bestek van mes, lepel en ook langzamerhand in zwang gekomen vork in een passend foedraal bij zich te dragen.

In de tweede helft van de zeventiende eeuw maakte de toenemende mechanisatie het mogelijk, om bestekken in serie te vervaardigen. Omdat het hier een tot dan toe nieuw fenomeen betrof, waren die seriebestekken relatief kostbaar. De gewone man had er geen emplooi en dus ook nauwelijks belangstelling voor. Het seriebestek werd dan ook hoofdzakelijk aan de welgestelde en eetpartijen organiserende adel en gegoede burgerij afgezet. Het werd bon ton, om als er een diner werd gegeven, vooraf messen, lepels en vorken voor de gasten op de gedekte tafel klaar te leggen. Met het stijgen van de welvaart werden eetpartijen gaandeweg niet alleen groter, maar ook luxer, verfijnder en eleganter. Daardoor veranderden tevens de tafelmanieren.

serie van 6 zilveren dessertcouverts uit de 18e eeuw zilveren lepels en vorken klein

6 Antieke zilveren dessertcouverts gemaakt door de Amsterdamse zilversmid Andries Vis in 1791. Collectie Zilver.nl

Tafelmanieren

Als men zijn bord had vol geschept met de zelf meegebrachte dan wel door de gastheer verstrekte lepel, en die lepel ook gebruikte om het voedsel naar en in de mond te brengen ontstond een hygiënisch probleem, wanneer men zich voor de tweede maal wilde bedienen, of wanneer de volgende gang van het menu op tafel kwam. De oplossing lag voor de hand; meer en ander tafelgereedschap moest er komen ter aanvulling op het ‘primaire’ eetgerei van mes, lepel en vork.

Opschepgereedschap maakte zijn intree

Zo werd het eerst opschepwerk gemaakt. Aanvankelijk alleen voor zelfgebruik door de aan het diner aanzittenden. Hoe meer de welvaart toenam, hoe gewoner het werd, om zich bij de maaltijd te laten bedienen door personeel. En dat personeel maakte bij het serveren vanzelfsprekend gebruik van speciaal voor dat doel ontworpen gereedschap zoals voorsnijcouverts, serveerlepels voor aardappelen, groenten, sauzen en soepen. Speciale opscheplepels voor vis en taart, al of niet demontabele tangen voor asperges en sla, handvatten met schroeven om bouten van gebraden wild en gevogelte zonder vette vingers de baas te kunnen.

De zilveren potagielepel

Als één van de vroegste specimina van de nieuwe tafeldienmode kwam eind zeventiende eeuw een fors formaat dienlepel in zwang, de zogenaamde potagie- of brijlepel. De vorm van deze lepel was ongeveer gelijk aan die van onze groente-opscheplepel alleen veel groter. Potagielepels varieren in lengte, maar zijn zelden korter dan een centimeter of 35. De breedte van de bak kan oplopen tot wel een centimeter of 8 a 9. In welgestelde kringen werden deze “reuzenlepels” gebruikt om er een potspijs, de potagie mee uit te serveren. De potagie was een schotel, waarin verschillende bestanddelen samen werden gekookt of gestoofd. Wij zouden spreken van een stoofschotel of een eenpansgerecht. De potagie kon op talloze verschillende manieren worden bereid. Er zijn bizarre potagierecepten bewaard gebleven van heden ten dage geheel in onbruik geraakte combinaties van vlees en groente zoals daar zijn:

  • groene en grauwe erwten met boter en ajuin,
  • stukgewreven groene erwten met pruimen en stroop,
  • groene gepelde turkse of roomse bonen,
  • peulen met vleesnat en/of boter.

Bij het lezen van de recepten lopen af en toe de rillingen van afgrijzen over de rug.

Zilveren brijlepels, visscheppen en groentelepels

De potagielepel werd ook gebruikt als opscheplepel voor hutspot en andere stampotten, of een vooral in gegoede kringen zeer deftig en dus zeer duur gerecht als rijstebrij. Vanwege dit laatste gerecht noemde en noemt men de lepel dan ook vaak wel brijlepel. Toen vooral na de komst van de aardappel de gewoonte kwam om groenten apart te gaan koken en die ook apart op tafel te brengen, kwamen vanaf het derde kwart van de achttiende eeuw, geleidelijk aan ook steeds meer serveerlepels van kleiner formaat in zwang. Zo ontstond bijvoorbeeld de groentelepel, in feite een kleinere variant van de potagielepel. Voor herstellende zieken trok men bouillon en in combinatie daarvan met de potagie ontstond soep in de betekenis die wij nu kennen. Daarvoor moest er natuurlijk een soeplepel komen. Voor visgerechten werden visdienlepels en -scheppen ontwikkeld. Zilveren potagielepels werden nog tot in de 19e eeuw gemaakt, maar raakten daarna wegens gebrek aan aanwendingsmogelijkheden in onbruik. Ze vormen thans in brede kring geliefde verzamelobjecten.

Antieke zilveren visscheppen

Stel zilveren visdienscheppen gemaakt door Christiaan Mensink te Amsterdam in 1809. Collectie Zilver.nl

De eerste brijlepel

De vroegste Nederlands zilveren brijlepel stamt volgens het bekende boek ‘Klein Zilver’ van de helaas overleden B.W.G. Wttwaall, uit Groningen. Hij werd daar in 1677/78 gemaakt door de Meester Geert Jacobs van Ootmarsum. Waar deze lepel zich bevindt is onduidelijk. Wel kan ik wat vertellen over de beide in de verzameling van mijn vrouw en mij aanwezige brijlepels. De jongste van de twee dateert uit 1786 ( jaarletter D), en is gemaakt door de Rotterdamse Meester Anthony Huys jr. Het betreft een exemplaar met een generfde steel met klaverbladvormig steeleinde, een model dat veel voorkomt bij achttiende en begin negentiende-eeuws Rotterdams tafelzilver. De achterkant van de langwerpige ovale bak is voorzien van een dubbel lof. De lepel is 35,5 cm lang en de grootste breedte van de bak bedraagt 7 cm. De lepel weegt 154 gram. De catalogus Zilverschatten van N.I. Schadee (nr203,pag.126) toont een iets kleinere, maar voor het overige nagenoeg identieke brijlepel met jaarletter C(1785), en die is daarmee dus een jaar ouder dan die in onze verzameling. De betreffende catalogus vermeldt als maker Anthony Huys, maar niet of het hier afgebeelde werk gemaakt is door vader Anthony Huys (die tekende met de letters AH), of van een eerder werkstuk van de zoon( die als meesterteken de afbeelding van een huis gebruikte). We kochten deze lepel enkele jaren geleden bij Old Memories.

Een zilveren brijlepel uit Rotterdam

Onze tweede lepel is eveneens afkomstig uit Rotterdam. Hij is wat ouder, dateert uit 1764 en is gemaakt door de beroemde Meester Rudolph Sondagh. Het meesterteken( een zon op een schild) is wat flauw, maar niettemin uitstekend leesbaar. De steel is 35 cm lang, iets korter dus dan die van Huys, de bak is daarentegen een tikkeltje groter. De lepel van Sondagh is aanzienlijk zwaarder dan de lepel van Huys. De lepel van Sondagh heeft een steeleinde, waarvan de vorm het dichtst komt bij wat wij thans noemen model Hollands glad. De achterkant van de bak is voorzien van een relatief fors lof. We kochten de lepel enkele jaren gelden op de antiekbeurs in ’s Hertogenbosch. Ondanks de gepeperde prijs sloeg de hebzucht toe. Zodoende.

Antieke zilveren brijlepel Rudolph Sontag 1778

Antieke zilveren brijlepel Rudolph Sontag 1778.

Ikzelf vind de massief uitziende zware brijlepels prachtig. Voor mij zijn het de mooiste stukken uit onze overigens bescheiden zilververzameling. Mijn vrouw is het echter op dit punt volmaakt met mij oneens. Ze vindt die dingen niet allen veel te duur, maar ook vooral grof en oerlelijk. De objectiviteit eist dat ik toegeef dat mijn vrouw gelijk heeft met haar opmerking, dat er aan een brijlepel doorgaans een flink prijskaartje hangt. Ik blijf hopen op een derde brijlepel voor onze zilververzameling. En wie weet lezer, als er zich eens een buitenkansje voordat, bijvoorbeeld een aardig prijsje in de Staatsloterij, waardoor onze beide lepels weer stevig rechtop, in de dan weer behoorlijk gevulde echtelijke brijpotten komen te staan..

 

Lees ook:

Antiek zilver schepwerk, recepten en kookboeken door de eeuwen heen

Bekijk ook:

de collectie antiek divers zilver schepwerk van Zilver.nl